De hoofdlijnen van de Wet franchise
Franchise is een samenwerking tussen twee ondernemers: de franchisegever en de franchisenemer. De franchisegever heeft een concept of formule ontwikkeld die de franchisenemer in een bepaald gebied mag exploiteren. De franchisenemer profiteert hiermee van het succes van de zogeheten franchiseformule, maar draagt wel het ondernemersrisico. Supermarkten, fietsen- of broodjeszaken of zelfs hypotheekadviseurs (oftewel goederen én diensten) kunnen gebruik maken van een franchiseformule.
De franchisesector is al jarenlang een belangrijke sector voor de Nederlandse economie. Maar liefst 60% van de franchisegevers- en nemers vallen onder het mkb (midden- en kleinbedrijf). Tot begin dit jaar was de franchiseovereenkomst als zodanig niet wettelijk geregeld en was alleen het algemeen contractenrecht van toepassing. Met ingang van 1 januari 2021 is daar verandering in gekomen en is de Wet franchise officieel in werking getreden.

Doel Wet franchise
Deze wet heeft als doel om de belangen van de franchisenemer en franchisegever meer met elkaar in evenwicht te brengen. De franchisegever zou, als rechthebbende op de franchiseformule, van nature een sterkere positie hebben dan de franchisenemer. In de praktijk zou de franchisenemer afhankelijk zijn van de franchisegever die de drijvende kracht is achter de franchiseformule en de koers bepaalt. Met name de positie van de franchisenemer is op een aantal onderdelen versterkt. Hieronder volgen de belangrijkste onderdelen van de Wet franchise.
1. Informatieverstrekking voorafgaand aan de franchiseovereenkomst
Volgens de wetgever is het van belang dat de franchisenemer voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst tijdig de beschikking heeft over alle informatie die essentieel is bij het sluiten van de franchiseovereenkomst. Een aantal voorbeelden hiervan zijn:
- het ontwerp van de franchiseovereenkomst (inclusief bijlagen);
- informatie over de wijze waarop en de frequentie waarmee het overleg tussen de franchisegever en franchisenemer plaatsvindt;
- informatie over de mate waarin, de frequentie waarmee en de wijze waarop de franchisenemer kennis kan nemen van omzetgerelateerde gegevens die de franchisenemer betreffen of voor zijn bedrijfsvoering van belang zijn;
- de financiële positie van de franchisegever;
- de financiële gegevens met betrekking tot de beoogde locatie van de franchiseonderneming.
In deze (precontractuele) fase wordt dikwijls vertrouwelijke informatie met de beoogd franchisenemer gedeeld. Wij adviseren franchisegevers dan ook om met de franchisenemer een geheimhoudingsovereenkomst en eventueel een voorovereenkomst te sluiten.
2. Standstill-periode en onderzoeksplicht
Nadat de relevante informatie is verstrekt, heeft de franchisenemer vier weken de gelegenheid om de informatie te bestuderen en eventueel een deskundige in te schakelen. De franchisenemer heeft immers een onderzoeksplicht. De franchisenemer is hierdoor in staat om een reële inschatting te maken van de eventuele risico’s die de franchiseovereenkomst meebrengen. Ons advies aan franchisenemers is om bij de franchisegever ten minste de historische gegevens op te vragen en/of een markt- en vestigingsplaatsonderzoek te (laten) verrichten, zodat een inschatting kan worden gemaakt of de franchiseformule op een rendabele wijze kan worden geëxploiteerd.
Tijdens de standstill-periode mag de franchisegever de conceptovereenkomst niet ten nadele van de franchisenemer wijzigen. Ook mag tijdens deze periode de franchiseovereenkomst (of een daarmee verbonden overeenkomst, zoals een huurovereenkomst voor het pand waarin de franchisenemer zijn onderneming zal exploiteren) niet worden overeengekomen. Daarnaast mag de franchisenemer niet worden aangezet tot het doen van betalingen of investeringen die samenhangen met de franchiseovereenkomst.
3. Informatieverstrekking tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst
Tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst moet de franchisegever de in de wet opgenomen informatie, zoals voorgenomen wijzigingen van de franchiseovereenkomst, met de franchisenemer delen. Voorkomen moet worden dat de franchisenemer voor verrassingen komt te staan en hierop niet tijdig kan anticiperen. Tevens moet minimaal één keer per jaar (onder het mom van “goed franchisegeverschap en goed franchisenemerschap”) een overleg plaatsvinden tussen de franchisenemer en franchisegever.
4. Goodwill
In de franchiseovereenkomst moet een regeling worden opgenomen ten aanzien van goodwill. Zo moet worden bepaald hoe goodwill wordt vastgesteld, welke omvang deze heeft en in welke mate deze is toe te rekenen aan de franchisegever. Voor het geval goodwill is toe te rekenen aan de franchisenemer, moet worden bekeken hoe deze goodwill aan de franchisenemer wordt vergoed, zodra de franchisegever de onderneming van de franchisenemer overneemt (en dus de franchiseovereenkomst eindigt) om de onderneming zelfstandig voort te zetten of over te dragen aan een derde met wie de franchisegever een overeenkomst sluit.
5. Non-concurrentiebeding
Een beding waarbij de franchisenemer na afloop van de franchiseovereenkomst wordt beperkt om met de franchisegever te concurreren is alleen geldig als deze schriftelijk is overeengekomen. Daarnaast gelden er nog de volgende aanvullende voorwaarden:
- het beding heeft alleen betrekking op de goederen en/of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking heeft;
- de beperking is onmisbaar om de aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen;
- de duur van het beding is beperkt tot één jaar en geldt alleen voor het gebied waar de franchisenemer voor de franchisegever werkzaam is.
6. Instemming franchisenemer
De franchisegever heeft de instemming van de franchisenemer nodig als hij in de franchiseovereenkomst een wijziging wil doorvoeren of een afgeleide formule wil hanteren die financiële gevolgen heeft voor de franchisenemer, zoals het verlangen van een investering door de franchisenemer. In de franchiseovereenkomst kan worden bepaald dat instemming van de franchisenemer pas benodigd is als financiële gevolgen een bepaalde drempelwaarde overstijgen. Hiermee kan de franchisegever ondervangen dat elke voorgenomen wijziging instemming van de franchisenemer behoeft.
En nu?
Hoewel deze wet op 1 januari 2021 in werking is getreden, gelden de bepalingen ten aanzien van goodwill, het non-concurrentiebeding en het instemmingsrecht van de franchisenemer op franchiseovereenkomsten die vóór de inwerkingstredingsdatum zijn aangegaan pas met ingang van 1 januari 2023. Voor franchiseovereenkomsten die op of na 1 januari 2021 zijn overeengekomen, geldt deze uitzondering niet. De Wet franchise is hierop direct volledig van toepassing.
Tot slot
Een franchiseovereenkomst is maatwerk. Aangezien deze wet betrekking heeft op alle franchisevormen is het verstandig om een jurist mee te laten kijken met de huidige dan wel nog op te stellen franchiseovereenkomst, zodat deze aansluit bij deze nieuwe wetgeving én het regulier contractenrecht. In het geval de franchiseovereenkomst vóór 1 januari 2021 is aangegaan, kan het al wenselijk zijn om na te denken over concrete aanpassingen. Graag denken wij hierin met je mee!
Vragen over franchise of deze nieuwe wet? Neem dan gerust contact op met onze jurist Lisa Wolbers. Zij is bereikbaar op telefoonnummer 088-5009568 of l.wolbers@eshuis.com en adviseert je hierover graag.
Neem contact met ons op
Onze adviseurs helpen je graag
Eshuis beschikt over vakspecialisten op het gebied van accountancy, belastingen, organisatie- en personeelsadvies en juridisch advies. We bundelen onze krachten zowel in multidisciplinaire als in specifieke brancheteams. Zo zijn we altijd op de hoogte van wat er speelt in de markt en blijven we betrokken bij jouw organisatie. Samen helpen we jou om succesvoller te ondernemen én impact te maken.
Disclaimer: “Het recht is uitermate gecompliceerd en veranderlijk. Wij kunnen daarom geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor hetgeen men zonder ons persoonlijk advies onderneemt of nalaat naar aanleiding van de inhoud van deze publicatie.”
