Nieuwsbrief oktober 2019

8 oktober 2019

1. Langs De Lat: ‘Soft’ is hard als je ertegen aanloopt!

In de wereld van financiën en control gaat het veelal om de harde feiten en dito cijfers. En jazeker is het van belang om deze feiten en cijfers scherp te hebben en behulpzaam te laten zijn bij het sturen en verantwoorden binnen organisaties. En gelijktijdig weten we dat het echte verschil wordt gemaakt door ons gedrag. In mijn opinie zijn de financiële resultaten van een organisatie niets anders dan een resultante van menselijk handelen. De vraag is dan op welke wijze we gedrag binnen organisaties bespreekbaar maken.

“Nu staan deze regels al jaren op papier en toch houdt men zich er niet aan. Ik begrijp er niets van.”, zou zomaar eens een uitspraak kunnen zijn die ook binnen uw organisatie van toepassing is. Als we er even bij stil staan dan onderkennen we als snel dat regels aan het papier toevertrouwen nog niet betekent dat ernaar wordt gehandeld. En als we dan weten dat het juiste intrinsieke motivatie is, dat leidt tot ander gedrag dan is er blijkbaar meer nodig dan regels en procedures. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Het blijkt juist de dialoog over gedrag te zijn die uiteindelijk leidt tot gewenst gedrag binnen organisaties. Maar tja, hoe maak je dat dan bespreekbaar? Hier biedt de theorie en praktijk over ‘soft controls’ mooie aanknopingspunten.

Zeven gedragsdimensies
Muel Kaptein reikt een zevental gedragsdimensies aan, waarop ik de volgende vragen baseer:

  1. Helderheid : weten uw medewerkers wat u van hen verwacht?
  2. Voorbeeldgedrag : handelt het management conform het beleid en de binnen de organisatie geldende afspraken, normen en waarden?
  3. Uitvoerbaarheid : zijn de voorwaarden (zoals tijd, geld en kennis) zodanig ingevuld dat de medewerkers het gewenste gedrag kunnen realiseren?
  4. Betrokkenheid : voelen medewerkers zich betrokken bij het beleid van de organisatie dat uiteindelijk het gedrag van de medewerker beoogt te beïnvloeden?
  5. Zichtbaarheid : wordt er geleerd van (bijna) overtreding van de binnen de organisatie geldende gedragsregels?
  6. Bespreekbaarheid : wordt de dialoog aangegaan over de uitleg van de geldende regels?
  7. Handhaving : worden de regels gehandhaafd?

‘Soft’ is hard als je ertegen aanloopt!
Als ik dan zelf reflecteer op genoemde vragen dan trek ik één hoofdconclusie. Het is makkelijker deze vragen op te schrijven dan de rust en de tijd te nemen om gewenst gedrag bespreekbaar te maken en bespreekbaar te houden. Naar mijn mening geldt dit ook voor regels en procedures. Ze staan zo op papier!

Als er dan vervolgens problemen ontstaan rondom gedrag, dan besef ik me telkens weer dat ‘soft’ hard is als je ertegen aanloopt.

Ik ben erg benieuwd…
Ik ben erg benieuwd naar uw antwoorden op deze vragen. Als u ze met mij wilt delen dan lees ik ze graag via m.delat@eshuis.com. Weet dat we een toegepaste vragenlijst ‘Soft controls’ beschikbaar hebben waarmee we u kunnen ondersteunen bij het bespreekbaar maken van gewenst gedrag binnen uw organisatie.


2. Iets om over na te denken: ‘Stijging van het AB-tarief vanaf 2020: in 2019 alvast dividend uitkeren?’

Het tarief van 25% over dividenden in BOX 2 van de inkomstenbelasting stijgt in 2020 tot 26,25% en in 2021 tot 26,9%. Daarnaast is de verwachting dat vanaf 2022 schulden aan uw B.V. groter dan € 500.000, met uitzondering van de eigenwoningschuld, als fictief voordeel worden belast in BOX 2. Onlangs gaf staatssecretaris Snel te kennen dat het kabinet voornemens is vanaf 2022 geen inkomstenbelasting te heffen over spaargeld in BOX 3 voor zover de totale waarde van het spaargeld op peildatum van het aangiftejaar de € 440.000 niet overstijgt. Is het daarom zinvol om vóór 2020 alvast dividend uit te keren? Waar moet u het uitkeringsvoornemen van laten afhangen?

Excessief lenen bij uw B.V.
De wetgever is bezig met een wetsvoorstel dat ervoor moet zorgen dat schulden aan uw B.V. waarvan het totaal groter is dan € 500.000 vanaf 2022 voor het bovenmatige deel worden aangemerkt als dividenduitkering. De verwachting is dat er een uitzondering komt voor de eigenwoningschulden. Over ontvangen dividend uit uw B.V. bent u 15% dividendbelasting verschuldigd. De dividendbelasting kunt u vervolgens als voorheffing in mindering brengen op de verschuldigde inkomstenbelasting in BOX 2 die in 2020 stijgt tot 26,25% en in 2021 tot 26,9%. Mocht u op dit moment een schuld hebben aan uw B.V., niet zijnde de eigenwoningschuld, die uitstijgt boven de grens van € 500.000 kan het wenselijk zijn om alvast voor te sorteren op het verwachte wetsvoorstel door de schulden af te bouwen. Afbouwen van de schulden aan uw B.V. kan onder andere door met het uitkeren van dividend de schuld af te bouwen, de schuld terugbetalen of een combinatie van beiden.

De balanstest en uitkeringstoets
Of u dividend kan uitkeren, is mede afhankelijk van de balanstest en de uitkeringstoets. U kunt alleen dividend uitkeren wanneer het eigen vermogen van uw B.V. na de dividenduitkering groter is dan de reserves die volgende de wet of de statuten aanwezig moeten zijn. Daarnaast moet worden voldaan aan de uitkeringstoets. De uitkeringstoets houdt in dat u moet beoordelen of de B.V. na de dividenduitkering aan haar verplichtingen kan blijven voldoen. U dient hierbij rekening te houden met de liquiditeit, solvabiliteit, beoogde investeringen en mogelijk dreigende claims.

Belastingvrij spaargeld in BOX 3
Wanneer de waarde van uw bezittingen verminderd met uw schulden op 1 januari 2019, meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen ad. € 30.360 (voor fiscaal partners tezamen € 60.720) betaalt u over het bovenmatige deel 30% inkomstenbelasting over een fictief rendement in BOX 3. Het fictief rendement 2019 is afhankelijk van de hoogte van uw vermogen en loopt op naarmate het vermogen groter wordt van 1,935% tot 5,60%. Mocht u ervoor kiezen om dividend uit te keren en heeft u vermogen waarover u in BOX 3 inkomstenbelasting betaalt, dan bedraagt de heffing in 2019 maximaal 1,68% (30% van 5,60%).

In een brief aan de Tweede Kamer heeft staatssecretaris Snel aangekondigd dat hij vóor de zomer van 2020 een wetsvoorstel wil aanbieden waarin de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting BOX 3 wordt gewijzigd.
Kort gezegd komt de aankondiging van het wetsvoorstel erop neer dat de staatssecretaris voornemens is vanaf 1 januari 2022 geen belasting te heffen over spaargeld in BOX 3 tot € 440.000 (voor fiscaal partners tezamen € 880.000). Daar waar op dit moment alleen nog maar sprake is van een aankondiging van een wetsvoorstel is de daadwerkelijke implementatie van het voornemen van de staatssecretaris nog te onzeker voor concrete berekeningen en aanbevelingen. Indien u overigens het uitgekeerde dividend gebruikt voor consumptiedoeleinden is er geen sprake van een vermogenstoename in BOX 3 en betaalt u over dit dividend geen inkomstenbelasting in BOX 3.

Te verwachten rendement
Mocht u het eventueel uit te keren dividend niet gebruiken voor consumptiedoeleinden dan is het voor de vraag of u dividend zou moeten uitkeren van belang wat u van plan bent om met het vermogen te gaan doen. Bent u voornemend om te gaan beleggen dan kunt u op basis van het door u verwachte rendement ervoor kiezen om de liquiditeiten in de B.V. te laten zitten of naar privé te halen. Ter illustratie onderstaand voorbeeld:

Op 1 januari 2019 heeft u € 100.000 aan overtollige liquide middelen op de bankrekening van de B.V. staan. De winst van uw B.V. is lager dan € 200.000. U verwacht een rendement op de liquiditeiten te behalen van 0,5%. Mocht u de liquiditeiten naar privé halen bedraagt het fictief rendement waarmee in BOX 3 wordt gerekend vanwege de hoogte van uw privévermogen 5,6%.
Indien u ervoor kiest de liquiditeiten in de B.V. te laten renderen betaalt u, naar verwachting, over het rendement vanaf 2021 15% vennootschapsbelasting en 26,9% inkomstenbelasting BOX 2. Dat betekent dat u per saldo over uw rendement in de B.V. € 500 * 37,865% = € 189 belasting betaalt. Wanneer u de liquiditeiten in privé had laten renderen zou u over het rendement aan inkomstenbelasting in 2020 in BOX 3 € 100.000 * 75% * 5,6% * 30% = € 1.260 betalen. Over het uitgekeerd dividend in 2019 bent u daarnaast direct € 15.000 dividendbelasting en € 10.000 inkomstenbelasting BOX 2 verschuldigd.

Advies over uw B.V.
Wilt u weten of het fiscaal voordeliger is uw overtollige liquiditeiten in uw B.V. te laten renderen of de liquiditeiten in 2019 als dividend uit te keren? Of bent u van plan alvast voor te sorteren op het wetsvoorstel dat het ‘excessief’ lenen bij de B.V. moet ontmoedigen? Neem dan gerust contact op met een van de fiscalisten van Eshuis Accountants en Adviseurs, wij helpen u graag verder!

www.eshuis.com
088 – 500 95 00


3. Nieuwe arbeidsmarktregels en tijdelijke contracten

Vanwege de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020 veranderen de regels voor opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Hoe zit dat?

Wat zijn de huidige regels (2019)?
Sinds 1 juli 2015 mogen er drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in een periode van twee jaar worden gegeven. Bij de vierde arbeidsovereenkomst in de reeks, of bij overschrijding van de maximale periode van twee jaar, wordt de overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Let op: alleen als de periode tussen twee arbeidsovereenkomsten meer dan zes maanden is, kunt u opnieuw beginnen te tellen in de keten van arbeidsovereenkomsten.

Tip!
In de horeca-cao is de mogelijkheid opgenomen dat bij werk dat alleen voor één seizoen beschikbaar is vanwege klimaat of natuur, een kortere tussenperiode is toegestaan. U kunt dan al bij perioden van meer dan drie maanden opnieuw beginnen met tellen.

Vanaf 1 januari 2020
Per 1 januari 2020 gaat de maximumtermijn van twee naar drie jaar. Het maximum aantal contracten binnen deze periode blijft drie en de onderbrekingstermijn blijft ook zes maanden. Bij cao kan deze periode worden verkort naar drie maanden.

Ook transitievergoeding wijzigt
Tot 1 januari 2020 heeft een werknemer na twee jaar recht op een transitievergoeding, waarbij de vergoeding vanaf de eerste dag wordt berekend. Per 1 januari 2020 wordt de transitievergoeding vanaf dag één berekend en uitbetaald. Dit geldt ook bij ontslag in de proeftijd en bij elk contract van bepaalde tijd dat niet wordt verlengd. Voorwaarde blijft dat de beëindiging door de werkgever gebeurt. De tijdelijke regelingen ten aanzien van de transitievergoeding (lagere vergoeding kleine werkgevers en verruimde opbouw oudere werknemers) vervallen met ingang van 1 januari 2020. De opbouw bij oproepkrachten wordt berekend aan de hand van de gemiddelde arbeidsduur per maand. Als het dienstverband korter is dan een maand, wordt het totale bedrag aan uitgekeerd brutoloon als uitgangspunt aangehouden. Let op: als u in de arbeidsovereenkomst op voorhand al heeft opgenomen dat er wordt aangezegd bij het einde van de arbeidsovereenkomst, dan bent u daarmee automatisch ook een transitievergoeding verschuldigd, omdat de overeenkomst op initiatief van de werkgever beëindigd wordt.

Samenvattend
Per 2020 ontstaat er na drie arbeidsovereenkomsten of pas na drie jaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De transitievergoeding is aan de orde vanaf dag één.


4. Bijtelling elektrische auto volgend jaar verdubbeld

De bijtelling voor de berijder van een zakelijke elektrische auto wordt volgend jaar verdubbeld. De bijtelling gaat van 4 naar 8%. Bovendien geldt de 8% nog maar over de eerste € 45.000 van de catalogusprijs. Dit staat in het voorstel van de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord, die op Prinsjesdag is gepubliceerd.

Bijtelling
De bijtelling bij het loon of bij de winst geldt voor het privégebruik van een elektrische auto. Alleen als de belastingplichtige kan bewijzen dat met de auto niet meer dan 500 kilometer per jaar is gereden, blijft de bijtelling achterwege.

Elektrische auto
Nu geldt voor een elektrische auto een bijtelling van 4% over de eerste € 50.000 van de catalogusprijs van de auto. Over het meerdere geldt een bijtelling van 22%. Vanaf 2020 wordt de bijtelling 8% over de eerste € 45.000 van de catalogusprijs. Voor het meerdere wordt de bijtelling 22%.

Verdere stijging bijtelling
De bijtelling voor elektrische auto’s gaat de komende jaren verder omhoog. Voor 2021 gaat de bijtelling naar 12% over de eerste € 40.000 van de cataloguswaarde en 22% over het meerdere. Van 2022 tot en met 2024 wordt de bijtelling 16% en in 2025 17%. Over deze jaren wordt de verlaagde bijtelling ook alleen toegepast over de eerste € 40.000 van de cataloguswaarde.

Let op!
Vanaf 2026 krijgt een elektrische auto dus dezelfde bijtelling als andere auto’s.

Vijf jaar vast
De bijtelling voor een ter beschikking gestelde auto, een auto van de onderneming die een werknemer mag gebruiken, staat voor vijf jaar vast. Na deze periode geldt de bijtelling volgens de dan geldende wetgeving. De nieuwe regels gaan daarom gelden voor auto’s die vanaf 1 januari 2020 op kenteken worden gezet.

Elektrische auto’s uit 2015 ook duurder
Het bovenstaande betekent dat voor auto’s die in 2020 vijf jaar oud worden, een bijtelling gaat gelden van 11% over de eerste € 45.000 van de cataloguswaarde en 25% over de rest. Voor auto’s die in 2015 voor het eerst op kenteken zijn gezet, geldt namelijk een standaardbijtelling van 25%. Elektrische auto’s krijgen hierop in 2020 een korting van 14% over de eerste € 45.000, zodat de bijtelling over dit deel van de catalogusprijs uitkomt op 11%.

Ook oudere elektrische auto duurder
Het bovenstaande geldt trouwens ook voor elektrische auto’s van vóór 2015. Zo gaat/ging de bijtelling voor bijvoorbeeld de elektrische auto uit 2014 in de loop van dit jaar al naar 7% over de eerste € 50.000 en 25% over de rest. Volgend jaar wordt dit dus 11% over de eerste € 45.000 en 25% over de rest.

Andere emissieloze auto’s
Behalve volledig elektrische auto’s rijdt op de Nederlandse wegen ook al een aantal auto’s met waterstofmotor rond. Ook voor die auto’s gaat het percentage omhoog van 4 naar 8% (voor nieuwe auto’s). Voor waterstofauto’s geldt de beperking van € 50.000 (2020: € 45.000) echter niet, maar is het verlaagde percentage van toepassing over de gehele cataloguswaarde. Deze regels zullen vanaf 2021 ook gaan gelden voor auto’s op zonne-energie.

Let op!
De voorstellen moeten nog door het parlement worden goedgekeurd en zijn dus nog niet definitief.


5. Top 10-voorstellen en -wijzigingen Belastingplan 2020

Welke fiscale voorstellen en wijzigingen zijn er op de derde dinsdag in september 2019 uit het koffertje van minister van Financiën Hoekstra gekomen? Wij zetten kort de tien belangrijkste fiscale voorstellen en wijzigingen voor u op een rij.

1. Invoering tweeschijvenstelsel al in 2020

Prinsjesdag
Voor mensen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd gelden vanaf 2020 nog maar twee in plaats van vier belastingschijven in de inkomstenbelasting. Het basistarief van 37,35% geldt dan tot een inkomen van € 68.507. Daarna geldt het toptarief van 49,5%.

Voor AOW-gerechtigden is er een aangepast basistarief van 19,45% tot een inkomen van ongeveer € 35.000. Daarnaast is tot een inkomen van € 68.507 het tarief van 37,35% van toepassing en geldt vervolgens het toptarief van 49,5%.

De belastingheffing op inkomen gaat door de invoering van het tweeschijvenstelsel ongeveer met 2% omlaag.

2. Toptarief vennootschapsbelasting blijft 25% in 2020

In tegenstelling tot eerdere afspraken blijft het toptarief in de vennootschapsbelasting 25%. Dit tarief voor resultaten boven de € 200.000 daalt in 2021 wel naar 21,7%.

Per 1 januari 2020 bedraagt het laagste vennootschapsbelastingtarief 16,5%. In 2021 gaat dit tarief voor een belastbaar bedrag tot € 200.000 verder omlaag naar 15%.

3. Arbeidskorting sneller verhoogd en zelfstandigenaftrek sneller verlaagd

Vooruitlopend op voorstellen voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt, wordt de arbeidskorting sneller verhoogd en de zelfstandigenaftrek sneller verlaagd. In 2020 bedraagt de maximale arbeidskorting € 3.819 (€ 3.399 in 2019) en de maximale zelfstandigenaftrek € 7.030 (€ 7.280 in 2019). De zelfstandigenaftrek wordt afgebouwd naar maximaal € 5.000 in 2028.

4. Vier wijzigingen in de werkkostenregeling

Naar aanleiding van de evaluatie van de werkkostenregeling (WKR) worden per 1 januari 2020 vier aanpassingen voorgesteld.

  • Een verhoging van de vrije ruimte naar 1,7% van de totale loonsom tot en met € 400.000.
  • De vergoeding van de kosten van een verklaring omtrent gedrag wordt gericht vrijgesteld.
  • De eindheffing WKR mag in het tweede aangiftetijdvak worden aangegeven in plaats van in het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar.
  • De waarde van producten uit het eigen bedrijf wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer.

5. Verlaging btw-tarief voor elektronische uitgaven

Per 1 januari 2020 wordt het tarief voor elektronische uitgaven van boeken, educatieve informatie, dagbladen, weekbladen, tijdschriften en andere, ten minste driemaal per jaar periodiek verschijnende, uitgaven verlaagd van 21 naar 9%.

Daarnaast wordt ook de toegang tot nieuwswebsites, zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften onder het lage tarief gebracht. Voorwaarde is wel dat de inhoud niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit reclamemateriaal, video-inhoud of beluisterbare muziek.

6. Verhoging overdrachtsbelasting voor niet-woningen naar 7%

Per 1 januari 2021 stijgt de overdrachtsbelasting op niet-woningen, van 6% naar 7%. Denk hierbij aan bedrijfsgebouwen, hotels en pensions, bedrijfsruimten en grond die bestemd is voor woningbouw. De overdrachtsbelasting voor woningen blijft 2%.

7. Verhoging bijtelling privégebruik voor elektrische auto’s

Per 1 januari 2020 stijgt de bijtelling voor het privégebruik van elektrische auto’s naar 8% (2019 4%) over maximaal € 45.000. Is de cataloguswaarde hoger dan € 45.000? Dan is over het bedrag daarboven de normale bijtelling van 22% van toepassing.

In 2021 wordt de bijtelling 12% over maximaal € 40.000. Bij een cataloguswaarde hoger dan € 40.000 is de bijtelling over het bedrag daarboven 22%. In 2022, 2023 en 2024 bedraagt de bijtelling 16% over € 40.000, en in 2025 17% over € 40.000. Uiteindelijk is in 2026 de bijtelling voor elektrische auto’s ook 22%.

8. Invoering bronbelasting in 2021

Per 1 januari 2021 wordt er bronbelasting ingevoerd op rente en royalty’s. Het tarief wordt gekoppeld aan het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting, dat in 2021 21,7% bedraagt.

9. Afschaffing betalingskorting vennootschapsbelasting in 2021

Met ingang van 1 januari 2021 wordt de betalingskorting voor de vennootschapsbelasting afgeschaft. Vennootschappen die de aanslag vennootschapsbelasting in één keer vooruitbetalen, krijgen vanaf dat moment geen korting meer.

10. Afschaffing scholingsaftrek

Er wordt voorgesteld om de aftrek van scholingskosten in de inkomstenbelasting af te schaffen. De scholingsaftrek wordt daarbij vervangen door de subsidieregeling STAP-budget (leer- en ontwikkelbudget voor het stimuleren van de arbeidsmarktpositie) voor personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. De nadere invulling van de subsidieregeling STAP-budget is nog niet bekend. Daarom wordt de scholingsaftrek nog niet in 2020 afgeschaft.

Wat miste er in het koffertje van Hoekstra?
Naast deze top 10 van belangrijkste wijzigingen uit het Belastingplan 2020, ontbraken er ook diverse wetsvoorstellen. Bijvoorbeeld voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt, om de huidige wet DBA te vervangen en een voorstel voor de aangekondigde aanpassing van de belastingheffing in box 3. Ook een wetsvoorstel met betrekking tot excessieve leningen van de aandeelhouder bij de vennootschap, in de volksmond de dga-taks geheten, volgt in het vierde kwartaal.


6. Advies aan Hoge Raad: einde slapend dienstverband?

Een werkgever is in beginsel verplicht om een slapend dienstverband op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Dit advies bracht advocaat-generaal De Bock eerder uit aan de Hoge Raad. Het komt vaak voor dat de Hoge Raad het advies van een advocaat-generaal overneemt.

De rechtbank Limburg heeft eerder aan de Hoge Raad zogenaamde ‘prejudiciële vragen’ gesteld omtrent het slapend dienstverband. Een prejudiciële vraag is een vraag over de uitleg van een rechtsregel. Voordat de Hoge Raad uitspraak doet, volgt eerst een advies van een advocaat-generaal over de kwestie.

Slapend dienstverband
Bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers heeft de werkgever gedurende de eerste 104 weken van de arbeidsongeschiktheid een loonbetalingsplicht. Na 104 weken stopt die loonbetalingsplicht en kan de werkgever ervoor kiezen om de arbeidsovereenkomst vanwege de langdurige arbeidsongeschiktheid op te zeggen of niet. Voor de opzegging is wel vereist dat de werknemer de komende 26 weken nog steeds arbeidsongeschikt is. De langdurig arbeidsongeschikte bij wie het dienstverband door de werkgever wordt opgezegd, heeft recht op een transitievergoeding. Omdat die vergoeding voor werkgevers erg duur kan zijn, kiezen zij er soms voor om het dienstverband in stand te laten. Dat heet een slapend dienstverband.

Wet compensatie transitievergoeding
Er komt steeds meer kritiek op het slapend dienstverband, mede omdat per 1 april 2020 de Wet compensatie transitievergoeding van kracht wordt. Deze wet compenseert werkgevers voor transitievergoedingen die zij aan langdurig arbeidsongeschikten moeten betalen

Advies advocaat-generaal
Volgens advocaat-generaal De Bock zou als uitgangspunt moeten gelden dat de werkgever gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van het dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding. Voorwaarde is dat de werknemer reeds 2 jaar arbeidsongeschikt is en dat de werknemer dit naar verwachting nog ten minste 26 weken blijft. Op dit uitgangspunt geldt echter een uitzondering, aldus de advocaat-generaal. Namelijk als blijkt, op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden, dat de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij kan aan verschillende omstandigheden worden gedacht, bijvoorbeeld dat er nog reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer zijn.

Uitspraak Hoge Raad?
De Hoge Raad moet nog beslissen op de prejudiciële vragen. Wanneer de Hoge Raad hierover uitspraak doet, is onbekend.


8. Openstelling SDE-subsidie vanaf 29 oktober 2019

De tweede ronde voor het aanvragen van de SDE+-subsidie start dit jaar op 29 oktober 2019. De SDE+-subsidie betreft projecten inzake hernieuwbare energie, bijvoorbeeld zakelijke zonnepanelen. Er zijn zes categorieën: biomassa, geothermie, water, wind en zon. Voor de categorie windenergie geldt een aparte aanvraagprocedure. De SDE+-regeling is bedoeld voor bedrijven en (non-profit)instellingen. U kunt subsidie aanvragen van dinsdag 29 oktober, 9:00 uur tot donderdag 14 november, 17:00 uur.

Bent u zelf geen eigenaar van de locatie inzake het ingediende project, dan moet u voortaan een verklaring van de eigenaar meesturen dat deze toestemming verleent. Het hiertoe benodigde ‘Model toestemming locatie-eigenaar’ vindt u op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl). De regeling SDE+ wordt volgend jaar vervangen door de regeling SDE++. Deze regeling gaat de onrendabele top van duurzame energie en CO2-reductie vergoeden.

Disclaimer: "Het recht is uitermate gecompliceerd en veranderlijk. Wij kunnen daarom geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor hetgeen men zonder ons persoonlijk advies onderneemt of nalaat naar aanleiding van de inhoud van deze publicatie."