Integratieheffing volgens Hof Den Haag in strijd met Zesde BTW-richtlijn
[09-08-05-5]
Belanghebbende, een gemeente , is eigenaar van een sportcomplex. Zij laat in 2001 één van de, door haar verhuurde, natuurgrasvoetbalvelden vervangen door een kunstgrasvoetbalveld. Na de oplevering door de leverancier van dergelijke velden, wordt het veld op 1 november 2001 weer in gebruik genomen. De, ter zake van de oplevering van het veld, in rekening gebrachte omzetbelasting bedraagt 69 318. De gemeente brengt deze niet in aftrek. De inspecteur is van mening dat met de ingebruikneming van het kunstgrasveld op 1 november bij de gemeente een zogenaamde integratielevering ex art. 3, lid 1, onderdeel h Wet OB 1968 plaatsvindt en legt een naheffingsaanslag van 29 548 op. Voor de berekening van deze aanslag heeft de inspecteur de waarde van de (onder)grond voor een bedrag van 155.520 in de heffing betrokken.
De integratielevering speelt bij alle btw-vrijgestelde ondernemers die op eigen grond bouwen of aan een aannemer opdracht geven om te laten bouwen. In Nederland is de integratieheffing ingevoerd om concurrentieverstoring te voorkomen tussen de btw-vrijgestelde ondernemers die een bouwwerk met ondergrond kant-en-klaar kopen met 19% btw over de volledige koopsom en de btw-vrijgestelde ondernemers de een bouwwerk realiseren op eigen grond. De laatste zou goedkoper af zijn omdat op zijn grond, zonder integratieheffing, geen btw drukt.
Hof s-Gravenhage beslist op 26 juni 2009 dat de Nederlandse integratieheffing in strijd is met het EG-recht. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie EG stelt het hof vast dat een belastingplichtige, als hij zelf goederen heeft vervaardigd, een bedrag aan BTW zou moet betalen dat overeenkomt met het bedrag waarvoor geen recht op aftrek zou bestaan als hij de goederen had aangeschaft. Volgens het hof houdt dit in dat nu belanghebbende een goed verwerft dat wordt aangewend voor prestaties die geen aftrek van voorbelasting toestaan, voor de btw-heffing moet worden volstaan met het niet aftrekbaar achten van de btw die aan belanghebbende in rekening is gebracht voor de levering, in casu dus 69 318. Het gelijk is aan belanghebbende. Het hof vernietigt de naheffingsaanslag.
Let op!
Een uitspraak met verstrekkende gevolgen voor vrijgestelde ondernemers die op eigen grond laten bouwen. Echter, niet alleen de BTW-heffing op de grondcomponent komt met deze uitspraak op losse schroeven te staan. De fiscus loopt ook de btw berekend over leges, verzekeringen, kosten van eigen personeel e.d. mis. Het is de vraag of de staatssecretaris zich bij deze uitspraak zal neerleggen.
In voorkomend geval is het vooralsnog verstandig om bezwaar aan te tekenen tegen een eventuele integratieheffing.
Verder moeten vrijgestelde ondernemers die grond aankopen om daar een nieuw pand op te laten bouwen afwegen of ze de grond met overdrachtsbelasting of BTW willen kopen. Indien de integratieheffing definitief buiten spel komt te staan kan men maximaal 13% besparen door de grond met overdrachtsbelasting te verwerven!
Disclaimer: "Het recht is uitermate gecompliceerd en veranderlijk. Wij kunnen daarom geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor hetgeen men zonder ons persoonlijk advies onderneemt of nalaat naar aanleiding van de inhoud van deze publicatie."
Volg Eshuis
Eshuis start met social media
Door ons op verschillende social media kanalen te profileren, kunnen we u op verschillende manieren bereiken en meer inzicht geven in wat ons bezighoudt. Volg ons via Twitter, Facebook, LinkedIn en onze weblog om op de hoogte te blijven van actualiteiten, laatste ontwikkelingen op ons vakgebied en voor handige tips en trucs.Eshuis Actueel Headlines
| Klik hier voor meer actuele headlines |
Werken bij Eshuis
Word jij onze nieuwe collega? Klik hier voor ons vacature-overzicht
![]() |
![]() |



